Provinciale afdelingen

De oprichting van een afzonderlijke vereniging werd door de VNG desondanks als minder wenselijk geacht. Pas na de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) zou daarin verandering komen. Vanuit de provincie Friesland bereikte de VNG het verzoek tot de instelling van provinciale afdelingen. De Friezen waren vastbesloten een Vereniging van Friese Gemeenten op te richten. Desalniettemin had de Vereniging van Noord-Hollandse Gemeenten met haar oprichting op 11 december 1916 de primeur. De Friese zusterorganisatie werd op 17 januari 1917 opgericht. Dat jaar volgde ook nog de VNG afdeling Overijssel (30 juni 1917).
Zelfstandig, in naam niet altijd refererend naar de landelijke organisatie, maar altijd opgericht mét goedkeuring van de algemene vergadering van de VNG, zag de Vereniging Afdeling Utrecht van de VNG als vierde op rij het levenslicht op 9 januari 1919: zetel gemeente Utrecht. Gerekend vanaf de dag van oprichting werd de vereniging opgericht voor 22 jaren, 11 maanden en 22 dagen. Dat hield in dat haar bestaan zou eindigen op 31 december 1941.
De provincie Utrecht kende rond 1918 72 gemeenten. Er waren grote verschillen waar te nemen tussen grote en kleine gemeenten. Tot de ‘grote’ gemeenten werden Utrecht, Amersfoort en Zeist gerekend. In het eerste jaar werden ongeveer twintig gemeenten lid van de Afdeling Utrecht van de VNG. Het kwam veel voor dat een gemeente geruime tijd lid was van de landelijke VNG, maar nog niet van de Afdeling Utrecht. Een enkele keer was het omgekeerde het geval. Het al dan niet aangaan of zelfs het opzeggen van het lidmaatschap van de VNG afdeling Utrecht had veelal te maken met (de hoogte van) de contributie. Zo was het lidmaatschap niet ipso jure; zowel voor de landelijke als de provinciale vereniging moest apart contributie worden afgedragen. Deze ‘dubbele’ kosten vormde nogal eens het struikelblok om VNG-lid te worden.
Tussen de jaren 1938-1940 werd het hoogste aantal vooroorlogse leden bereikt: 57 van de 71 gemeenten waren lid van de Afdeling Utrecht. Na de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) werd ervan uitgegaan dat iedere gemeente in de provincie Utrecht lid was van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en daarmee ook van de provinciale afdeling.